Broek
Zwanendrift te Broek.
De oudst bekende eigenaar van deze Broekster zwanenjacht is mr. Idzert van Sickinga, die in 1544 student is aan
de universiteit van Leuven. Hij wordt na zijn afstuderen advocaat voor het Hof van Friesland. Later, in de periode
1558 tot zijn dood in 1575, is hij raadsheer in dit Hof. Hoe Idzert in het bezit van de zwanenjacht gekomen is, is niet
goed bekend… [etc]
Lees Fryslan_zwanenjacht_broek van Gerard Mast uit Fryslan, sept. 2010.
https://www.fryske-akademy.nl/fileadmin/inhoud/img/kennis/genjierboek/GJ_1994.pdf
DE BROEKSTER ROUCKEMA’S
“Desen allen ende meer anderen”
Begin 17de eeuw verkoopt Idzard van Sickinga de Broekster zwanenjacht. Tegen de
transactie komt Jan Hendricx Coops, van Kuinre, in het geweer vanwege zekere “swaenemac(r)cken oft jachten”. Beiden baseren zich op vererfde rechten. Idzard beroept zich op
de eigendom van de gehele jacht met een verwijzing naar zijn overgrootvader, Jan op die
van een zesde part van zijn grootvader “Roucke Rouckema in tyden ghewoont hebbende
in de Broeck”.
Zijn en waren er meer groepen naamdragers Rouckema1
, de bijdragen familie A en B
betreffen van oorsprong Broekster geslachten, die door hun bezit van genoemde “preeminentien praerogativen van eer, feer ende andere heerlyckheid heerschappie ofte gherechticheit” op net iets meer aanzien aanspraak konden maken dan andere eigenerfde families
met het recht om zwanen te houden.2
Aan de “zwanen houdinghe, jacht ende mereken”
in Doniawerstal en de geschiedenis van de meerdere dorpsgebieden omvattende Broekster jacht wordt hierna een bijdrage gewijd.
Op grond waarvan familie A de naam is gaan voeren, is onbekend. Dit geslacht, waartoe
Idzards overgrootmoeder behoorde, is voorzover bekend uitgestorven. De genealogie van
familie B, waarin nazaten van “Roucke Rouckema” worden behandeld, is voor uitbreiding vatbaar. Beide families hebben behalve een uitkomende zwaan als helmteken drie
zespuntige sterren (2 en 1) in hun wapen.
Groningen, mei 1994 Hein Walsweer
“Der zwanen houdinghe, jacht ende mereken”
Voor “Heinc”, de oud-jager en “fjildman”
De Vries, die de ontwikkeling van het zwanenrecht in Westerlauwers Friesland heeft
belicht515
, onderscheidt onder meer: het recht op een of twee gemerkte zwanen, waar
deze zich ook maar mogen bevinden, en het recht op alle zwanen (dus ook de ongemerkte
exemplaren), die zich ophouden in een door grenzen bepaald gebied, dat niet hoefde samen te vallen met het grondbezit van de eigenaar. Hoewel sinds Karel de Grote het houden van zwanen tot de koninklijke rechten (regalia) gerekend werd en aan overheidsvoorschriften was gebonden, is genoemde schrijver van mening dat in Friesland dit recht elke
edelman en vrije boer zou hebben toebehoord. Die opvatting is niet te staven met de door
hem genoemde 14de en 15de eeuwse voorbeelden. Ook het register dat in 1529 op last
van de overheid is aangelegd laat zien dat de bevoegdheid niet in alle delen van het voormalige district Franeker berust bij adel en boeren. In twee van de vijf delen is het een
pregoratief van de edelen. Van leden van deze stand is dan ook de in 1543 afgelegde verklaring afkomstig dat de zwanenjacht, evenals de zeggenschap in plaatselijke kerkelijke
aangelegenheden (het patronaatsrecht), de bevoegdheid om na de mis als eerste op het altaar te offeren (het recht van vooroffer) en het visrecht, gerekend werd tot de bevoegdheden, die de aan een state verbonden heerlijkheid volgden.516
De zwanenjachten verdwijnen in de 19de eeuw. De Vries wijt dat aan de opkomst van de kroontjespen (circa 1840),
het gebruik van ander materiaal voor bedvulling, maar nog het meest aan het wegtrekken
van de adel uit Friesland.
Allereerst wordt de verspreiding van dit hoogheidsrecht in Doniawerstal aan de hand van
genoemd register517
en een opgave uit de eerste helft van de zeventiende eeuw518
nagegaan. Vervolgens ga ik in op de Broekster jacht en de rechthebbers daarvan.
De merkhouders in Doniawerstal
Uitsluitend Teroelster merken zijn in 1529 geregistreerd. Ze staan op naam van Imck Obbes, Sibren Ottes, Nanne Fuukesz, Luytzen Hylkez en heer Ryuerdt. Imck (Epes Hettinga) en Rouke, haar zoon bij Obbe Iges, te Dijken, worden in 1513/14 gerekend tot de
vrije heerschappen. Rouke Obbes leeft al niet meer wanneer het een en ander over hem
wordt meegedeeld.
Tyepka Rouckaz Douwama verkocht in 1530 landerijen en renten aan Jancke Idzards Douwama, te Langweer. Het voorgaande wijst er op dat Imck zowel haar zoon als diens vrouw (ze was een zuster van Jancko Douwama, de jongere, van
Oldeboorn) overleefde. Tyepcke overleed tussen 1555 en 1559. In laatstgenoemd jaar belooft Walta Benedicx (Hettinga, te Teroele) aan Douwe van Douwema, voormond van
Tyepckes jongste wezen, hem “vrij ende schadeloos te houden van dat halve huijs staende
inden dorpe in den Dijecken daer Gatthie Idts in woont”.521
Vermoedelijk betrof dit het door Tyepckes ouders en grootouders bewoonde huis, mogelijk “wt Obbema huijs Inden
dijeken”, waarvan Pier Ockema’s nazaat meedeelde dat het had toebehoord aan zijn “vaders ommoer” (Syouck Oeges Reinarda, “stammoeder” familie A?). Over Sibren Ottes,
Nanne Fuukesz en Luytzen Hylkez laten de stukken zich niet uit. Heer Ryuerdt (Synes,
circa 1468 – circa 1536) was pastoor van Teroele en evenals zijn opvolger (heer Fedde
Ockes Morius, een kleinzoon van Pier Ockema) politiek actief.522In de beschrijving van
het benefïciale goed van Teroele (1543) komt het recht van de kerk om zwanen te houden
niet voor. Blijkens koopbrieven in het sterfhuis van de mederechter Cornelis Romckes
Hentinga (1653)523 is het verkocht, denkelijk al voor 1580.
Behalve Cornelis Romckes, rechthebber te Teroele en te Dijken, zijn Poppe Wipckes, te
Doniaga324
, en Terquinius Suaga erven cum socijs, te Teroele, in de eerste helft van de
zeventiende eeuw in het bezit van “een crite ende merek”. De “Langweerster” gerechtigden zijn grietman Osinga, jonker Douma en de heer Gravius. De “Broeckster Jacht” staat
op naam van J(onker) G(errit) Sijcking(a). Deze zoon van Tjalke van Sickinga en Maria
van Siercksma woonde niet in Doniawerstal, maar te Heerenveen, waar hij als secretaris
de belangen van de Schoterlandse Veencompagnie behartigde. Na terugkeer uit ballingschap hadden zijn ouders zich te Schoten (“in het Woldt”) gevestigd.
Het proces om de “Broeckster Jacht”
Nadat in 1616 is geproclameerd dat Tjalke van Sickinga het recht van zwanenjacht in
de dorpen Ouwsterhaule, Broek en Goëngarijp had gekocht van Idzard van Sickinga voor
275 eg., de kwijtschelding van de jaarlijkse levering van twee levende zwanen en een
“hoedsbant gegarneert ende stoffeert met thien medalien”, haasten andere zwanengerechtigden zich naar de secretarie om aantasting van hun “limiten ende criten” te voorkomen.
Achtereenvolgens zijn dit:
– Saepck van Douma, weduwe jonker Barthold van Douma.
Saepck liet registreren dat zij van haar vader Erasmus (Janckes Douma) een zwanenrecht
in Doniawerstal had geërfd, “streckende d selve met haer limiten ende crijten ut den
Wiellen, d Oldewech langs aen Hollingaried, item in Janiemeren ende van daer om Foockefenne, Tyetsesloot ende dat voorts by Twellingerga aen t Oldehoff toe, noch Fetse holl
aen ende de Nieuwe wech deur, voorts deur de Couforde aen de Leijpoll ende noch eenige slooten des noot te nomineren, streckende also aen Smallebrugster erflanden, den
Hecksloot, den Feensloot den Brecken langs aent Beenlant, item die lutke Coeforde, Ringewiell ende Mari Douma wiell”.526
Ze claimt dan ook de Tietsesloot, de Ee, de Jentjemeren en het gebied om Foockefenne
als wateren, die tot haar gebied behoren.
– Wlcke Gerrits, mee voor zijn broerszoon Gerrit Sybes (lees: Sybrens).
Wlcke laat vastleggen dat hem en zijn neef het voorouderlijk zwanenrecht in Haalster nigae en Ousterpoellen toekomt.
– Jelle Jans.
Naar Jelles mening heeft zijn vader Jan Oenes (Illb) een zesde part gekocht van kopers
vader Oege van Sickinga.
– Jan Hendriks Coops, van Kuinre, en zijn broer Christoffel, te Kampen.
Ze laten vastleggen dat hen een zesde part toekomt uit hoofde van het erfdeel van hun
moeder Reinsck Rouckema (lid), een dochter van Rouckc Rouckcma, die te Broek gewoond had.
– Oene Roukis.
Deze Rouckema claimt uit naam van zijn vrouw Loll Oenedr (IIIc) het recht om zowel
voor als achter zijn huis te Broek een paar zwanen te houden.
Idzard van Sickinga wimpelt deze protesten af met een beroep op bezit sinds “menschen
memorie”, teruggaand op dat van zijn overgrootvader (de op Sickingastate, later stem 11,
te Ouwsterhaule woonachtige Abbe Idskes).
Met name Saepck van Douma en de zoon van Reinsck Rouckema laten het hier niet bij
zitten en spannen koper en verkoper een proces aan. Drie jaar later527
blijkt dat Idzard van Sickinga minder zeker is van de ouderdom van zijn papieren. Het is nu niet overgrootvader, van wie de “limiten ende crijten” in kwestie zijn aanbeërfd, maar diens zoon Idzard van Sickinga, raadsheer in het Hof van Friesland, van wie ze door vererving afkomstig zijn en die ze “van eenen Oene Rouckema by transactie becomen hadde, waervan sij oock in possessie sijn sonder turbe van emant zedert het jaer 1574 deur opene brieven van decrete vanden Hoove ende daerop gefolchde approbatie”. Het college van
grietman en mederechters stelde weduwe Douma en Jan Hendriks Coops in het gelijk.
Sickinga gaf te kennen bij het Hof in beroep te willen gaan. Vermoedelijk is het bij een
voornemen gebleven, want uit de Quaclappen blijkt niet dat hij een dergelijke actie heeft
ingesteld. Ook is vast te stellen dat de door hem in 1574 gedateerde decretale verkoping
niet is geregistreerd. Wel vinden we in de rekening van 1561/62528
een post met betrekking tot de verkoop van landerijen te Broek door Oege en Idzard van Sickinga aan Oene
Rouckema (Ilb), een transactie waarmee behalve 570 gg. een jaarlijkse levering van vier
zwanen was gemoeid. Het is dus best mogelijk dat Idzard van Sickinga geen heil heeft
gezien in nadere actie omdat hij zijn beweringen niet hard kon maken. De beslissing van
het nedergerecht dat ten gunste van Jan en zijn broers en zusters “den proclamatien ten
processe gheroert” moesten worden gecasseerd, betekende dat Idzard niet over de gehele
jacht, maar over slechts vijf zesde part kon beschikken. In overeenstemming daarmee is
de aantekening in het register bij zijn rechtsopvolger Gerrit van Sickinga: “d’ 5 parten
competerende” en de mededeling bij Sibrant Jans Echten over zijn recht tot “een 1/6 part
van een krite”. Uit het vervolg zal blijken dat Echten als rechtsopvolger moet worden beschouwd van de erven van Reinsck Rouckema.
Het vervolg
De laatste mannelijke telg van de familie was jonker Johan Baptista Sickinga van
Worfenburg.529
Zijn goed vererfde omstreeks 1656 op de nazaten van zijn zuster, gehuwd met Hendric Thibault, te Amsterdam. Zij gaan in de jaren zeventig over tot verkoop van het Sickingavermogen (o.a. vier belendende zaten te Oudeschoot onder Heerenveen
aan Albertina, prinses van Oranje en vorstin tot Nassau).530
In 1710 531 kochten Allard van Burum en Catharina Johanna van Eijsinga, echtelieden te Langweer, voor 100 eg. “de
swanen van Sickinga of Broekekster jacht” van de kinderen van Sibrandus van Echten,
mederechter van Doniawerstal. Aangezien de gehele jacht wordt verkocht is daaruit op te
maken dat Sibrandus van Echten ook rechtsopvolger van het Sickinga-aandeel was geworden. De jacht is als volgt omschreven: “de krijte en limiten sijn streckende als volght als door den gehele dorpe Broeck, Goingarijp en Goingarijper poelen oostwaarts, voorts
de Slachte langhs aan Saaunvoet, komende alsoo aan de swanejacht van wijl(en) Douwe
Roorda nu j(onke)r Albada en van daar voorts langhs en langhs de Scheen of wel scheij93
dinge aan Snickswager ackers, lopende door na de Joure en buiten of oock binnen de
Slaghte, komende de swanen van Sickinga of Broeckster jacht voors. nu hier verkocht op
de landen en in de wateren van Ulcke Hoijtema op de Joure voors. nu de welg(eboren)
H(e)re Hcssel Vegelin van Claerbergen oud en substituit grietman over Hasckerland toebehorende, streckcnde mede voorts de voors. limiten en krijte achter uit den dorpe Broek,
westwaarts in de dorpe van Ousterhaule door de Zijpen aan wijlen Sijc Jelgers ende
voorts aan Ztietse sloot of wel de dijcksloot tot het eijnde van de Rien, en in de olde weij
ofte dracht en oock mede in de grote en kleijne wielen, de grote genaamt Haulsterwiel of
Boonlandspoel en de kleijne wiel genaamt Boonwiel, leggende in den dorpc Ousterhaule
voors. en alsoo voorts omvarende achter het feenland of boonlandt in de Dolte langhs het
Fammerack, brecken, kaij en achter Focklefenne om in Jeniemeer en van daar voorts
door de wateringen door Langhstartspoel, Goesse holle en Eesgewiel, Schapewiel, grote
en kleijne Scharwielen en Corneswielen, Ellertswiel en in de Blocksloot en Bansloot en
alsoo in de dode wiel of nu blinde wiel genaamt, en in Goingarijper poelen voors.”.
De nieuwe eigenaar was een burgermanszoon, die om zijn niet geringe ambities te verwezenlijken, op grote schaal onroerend goed aankocht. Na zijn dood (in 1729) zijn de erven genoodzaakt alle bezittingen te verkopen.532
Dat Van Burum niet wilde onderdoen voor zijn adellijke buren (van Doumastate) valt op te maken uit de mededeling uit 1730, waaruit blijkt dat de Broekster jacht was verbonden aan Osingastate te Langweer (“berechtigd
met drie stemmen onder no. 15, 16 en 17 alsmede met de swanejacht te Broek”).533
Bewoner Johan Vegelin van Claerbergen is door de verkoop genoodzaakt te verhuizen, maar
keert in 1765 naar slot terug. Deze grietman van Doniawerstal gedurende een halve eeuw
wordt als een van de meest invloedrijke en gerespecteerde Friese regenten van zijn tijd
beschouwd. 534
Na zijn dood hebben zijn nazaten (Van Eijsinga’s) zeggenschap over
Osingastate en de daaraan verbonden Broekster zwanenjacht.
Besluit
Het bovenstaande laat zien dat het recht om zwanen te houden in dit deel van de Zevcnwouden minder algemeen was dan wel is gesuggereerd. De recent gedane mededeling
van de Rie foar Heraldyk535
dat dit recht aan elke boerderij te Langweer was verbonden
wordt niet door de registers bevestigd. De exclusiviteit zit ook besloten in de beschrijving
van de grenzen van de Broekster jacht. In Utingeradeel werd deze begrensd door die van
de Roorda’s (van Oenema) van Terkaple en aan de Haskerlander kant door de jacht van
de Hoytema’s van Joure. Een groot deel van het oppervlaktewater van Doniawerstal werd
doorkruist door de zwanen van de Douma’s. In de wateren richting grens DoniawerstalSchoterland had men rekening te houden met de zwanen van de Wolsma’s, een familie,
afkomstig van de “drie ofte vier saeten van Sickinga staeten” verwijderde en voor de Zevenwouden van strategisch belang geachte stins te Ouwsterhaule.536
Met de Wolsma’s
hadden Wlcke Gerrits en zijn oomzegger een gemeenschappelijke voorouder in Folckert
Wols, zegelaar in 1480537
, hetgeen aannemelijk maakt dat de rechten in de Haalster nijgae en Ousterpoellen van een zekere ouderdom waren. Het nageslacht van Wlcke Gerrits,
de Zwaga’s, heeft de herinnering aan hun zwanenrechten heraldisch levend gehouden?38
Dit is ook het geval met de hier behandelde families Rouckema, die beide een uitkomende zwaan als helmteken voeren. Uit dat feit mag misschien worden afgeleid dat Abbe Idskes van Sickinga zijn aandeel in de Broekster jacht ontleende aan bezit van zijn vrouw.
Opmerkelijk is dat we niets gewaar zijn geworden van zwanenrechten van de familie
Hylckema539
, een van oorsprong Broekster geslacht met een niet gering bezit aldaar. De
halsband, waarmee de zwaan in hun wapen is getooid540
, wijst op minder bewegingsvrijheid dan de zwanen van de gerechtigden tot de Broekster jacht.
Kenmerken
| Omschrijving | Broek |
| Plaatsnaam / dorp | Broek |
| Nummer | 192 |
| Land | Nederland |
| Provincie | Friesland |
| Gebied | Zevenwouden |
| Grietenij | Doniawerstal |
| Type | Zwanendrift |
| Zwanenhalsband | - |
| Beschrijving krite | Ja |
| Datering | ong. 1610 |
| Afbeeldingen | - |

