Procedure Tiete van Galama versus Lodewijk van Harinxma
Tiete van Galama verkocht zijn compagnie aan Lodewijk van Harinxma in 1639 en staat ook als zodanig vermeld als zijn opvolger.
Bijdragen tot de Geschiedenis van Overijssel, XIV Deel, 2e Serie, 4e Deel, 1907
Uitgegeven door Mr. J. Nanninga Uitterdijk, Archivaris van Kampen en Mr. L. van Hasselt, Rijksarchivaris in Overijssel
Uit: https://www.dboverijssel.nl/archieven/1629
TEGEN Jhr. LODEWIJK VAN HARINXMĀ, 1641.
De eischer grondde zijn actie op de navolgende overeenkomst:
„Op huyden desen xijen Aprilis anno 1639 is tusschen Jor Titus van Galema, capitain, ter eenre, ende Jor Lodowick van Harinxma, lieutenant, ter andere syden, een seecker contract ingegaen ende gemaeckt in naeuolgende manieren ende conditiën, als eerstelycken, dat die lieutenant van Harinxma die compagnie van capitain Galema op den soevenden Maij ancompstich mit complete wapenen, volgents die ordre sal antasten licker ende vry van enige resteerende gagien. Gelouende alle heeren maenden hyer en tegens aen den voirige capitain Milander ’s maents, soe lange hy leuet, te betaelen veertich carels gulden, als oock aen den capitain van Galema, Milanders successeur, gelycke veertigh carels guldens a xx stuiuers ter ellicker heeren maent, ende sulx geduirende het leuen mede van den capitain Galema, welgedacht. Edoch die ancoemende capitain van Harinxma voirbeholden bliuend dese maentlycke veertich carels guldens af te lossen, mit een capitael van twee duysent carels guldens, als ende
wanneer die capitain van Galema toch in eenige militaire charge of dienst wederom mocht coemen te begeeren, andersints lopende die maentlycke veertich carels guldens voir capitain Galema geduirende desselfs leuen. Ende daer het geuiel, dat die ouerdoeninge ende resignatie der compagnie die Ed. Mo. Heren Staten van Vrieslant nyet en belieuede te consenteren. In soedanigen cas soe is dit contract ten beiden syden nul ende crachtloes, alsmede doet die obligatie op dato voirsz. gepasseert ende beeeckent by den Eersz. Sybrant Jaspersz ter summe van vyff duisent carels guldens, die alsdan mede doet is.
Sonder argelist. In oirkonde der waerheit hebben die heeren contrahenten desen contracte op jaer, maent ende daete als bouen, neffens anwesende getuigen, onderteickent binnen Campen. Ondertusschen tot voltreckinge dese conditiën parthyen aen weder syden verbindende haere respectiue goederen, personen ende erffgenaemen, om daer op ten allen tyden, indien aen die eene oft andere side enich gebreck geschiede, hetselve manquement vry, cost ende schadeloes te moegen verhaelen. Actum vt supra.
Hyer en bouen is nog eyntlicken ingewilliget, dat die heren capitain van Harinxma die officieren van de compaignie als lieutenant, veendrick, sergeanten ende corporaels sal laeten in die staet ende qualiteit verbliuen, soe ende als die daerin beuonden worden. Was onderteickent mit verscheiden handen ende namen. Lodowick van Harinxma, Titus van Galema, Sybrant Jaspersz.
My present als getuige,
P. Vette.
Pro Authentica et vera copia scripsit,
P. Vette,
Notarius manu propria qui supra.
De verweerder antwoordde, dat bij het contract van 12 April 1639 was overeengekomen, dat hij, verweerder, de compagnie met compleete wapenen zou aantasten, vrij van eenige resteerende gagiën.
Op dien grond wierp hij op de exceptio non adimpleti contractus; immers de aanlegger moest de compagnie leveren vrij van den last van achterstallige gagiën.
Maar bovendien berustten de maandgelden en traktementen, waarop de eischer aanspraak maakte, onder den solliciteur Sybrant Jaspers en zijn ze onder diens handen in beslag genomen, zoodat de verweerder mede met vrucht kon opwerpen de exceptio arresti prioris.
Den 5en November 1640 verklaarde Sybrant Jaspers, burger en zijdekoopman binnen Leeuwarden, dan ook, dat onder hem, als solliciteur van de compagnie van Jhr. Lodewick van Harinxma, door Reyn Wimmes te Franeker beslag was gelegd en dat hem door den heer kapitein van Harinxma nooit inhibitie is gedaan om de traktementen niet uit te betalen, doch de betaling alleen door het gelegde beslag is achterwege gebleven.
De aanlegger beweerde ten opzichte van de exceptio non adimpleti contractus, dat die niet opging, waar men de compagnie zonder protest had aanvaard, en ten opzichte van de exceptio arresti prioris, dat van dat arrest niet op legale wijze is gebleken, maar dat bovendien dit den aanlegger niet kan schelen, omdat hij onder Sybrant Jaspers geen maandgelden of traktementen heeft berusten en ter zake van de traktementen, die hij vordert, alleen te maken heeft met den verweerder, die volgens het contract gehouden is de maandelijksche traktementen aan den aanlegger te voldoen en onder dezen had dan arrest moeten gelegd zijn.
Bij zijn dupliek bleef de verweerder zijn posita handhaven en hield vol, dat de compagnie niet met compleete wapenen was overgeleverd geworden, zooals was bedongen, met verder beweren, dat niemand uit een wederkeerige overeenkomst kan ageeren, zonder eerst zijnerzijds aan zijne verplichtingen voldaan te hebben.
Verder mag de wettigheid van het arrest niet in dit geding worden behandeld, maar mag dit alleen geschieden in foro competenti.
Den 11en Augustus 1641 verstonden Schepenen, dat het proces voldongen was en bepaalden vonnis, dat, 7 December 1641 gewezen, aldus luidde:
„Schepenen ende Raedt, neerstlyk en de mit vlyt geëxamineert ende deursien hebbende Anspraecke, Antwoort, Replicq ende Duplicq, neffens die daerby gevoechde documenten ende bewysdomen; Ende gelettet hebbende waerop in desen eenichsints te letten stonde, doen recht, ende condemnieren den verweerder, om den anlegger de geeyschte derthyn maenden tractement, ter maendt ad veertich car. gl., te voldoen, op te leggen ende te betaelen; de costen ouer dese procedure om redenen compenserende.”
Dit vonnis was overeenkomstig het rechtsgeleerde advies door Schepenen en Raad ingewonnen bij Rycmannus Wolphius L. en Alb. de Booth Greven J. U. D.
